OMTRENT DE BETEKENIS VAN HET BEELD

‘DE GOLEM’
VAN KUNSTENAAR KOEN VANMECHELEN


OP HET DAK VAN HET LEUVENSE
VERTROUWENCENTRUM KINDERMISHANDELING
Peter Adriaenssens
Kinderpsychiater
Directeur Vertrouwenscentrum Kindermishandeling


Kinderen die traumatische ervaringen meemaken reageren meestal door te “bevriezen”. In theorie
zouden ze kunnen vluchten voor het gevaar, maar ze leren al snel dat ze daarvoor de duimen moeten
leggen. Of het nu een volwassene is die hen in gevaar brengt, of een vloedgolf, steeds is het gevaar
sterker en sneller dan zij zelf. De reactie die hun dan overblijft is die van te bevriezen, wat wil zeggen
dat het lichaam in shock reageert en verbijsterd is door het gebeuren. Het kind zit dan uren rond te
kijken, weet weinig, zegt bijna niets meer. Volwassenen laten zich graag leiden door wat ze zien aan
de buitenkant, en denken dan ten onrechte dat het allemaal nog lijkt mee te vallen voor het kind. Zo
onbewogen als het kind er aan de buitenkant uitziet, zo intens kan het leven binnenin zijn. De
traumatische stress jaagt de bloeddruk op, de polsslag, splitst de hersenen op in een strijd tussen
positieve en negatieve gedachten.

Toen ik kennis maakte met het beeld ‘Golem’ van Koen Vanmechelen herkende ik de band met de
thematiek van getraumatiseerde kinderen. Net als het kind is deze reus aan de buitenkant schijnbaar
onbewogen. Als je naar de kop van het beeld kijkt kan ieder er de emotie in zien dat hij er zelf in wil
leggen. Men noemt hem glimlachend, melancholisch, streng, in gesprek. Maar de lichaamshouding
verraadt niets. Hij lijkt wel bevroren in de tijd. Het onzichtbare (het leed, de woorden-die-onzegbaar-
zijn, de beelden-die-niet-te-tonen-zijn) is tot zichtbaar gestileerd. Er zijn alleen zijn grote open handen
die aangeven dat er misschien toch meer aan de hand is binnenin. Wie de ‘Golem’ ontmoet weet niet
goed wat te doen met eigen handen. En zoals we het ondertussen al vele keren hebben mogen
observeren, raken de meeste mensen spontaan de handen aan. De handen worden in elkaar geschoven,
tussen ‘Golem’ en zijn bezoeker.

Het luik in de borst van de ‘Golem’ vormt de toegang tot de binnenwereld. Daar heeft de kunstenaar
een symbolische ruimte gecreëerd. De “BoekenGolem’” wordt gevuld met jeugdliteratuur, en kon zo
op rondreis. De ‘Golem’ die Koen Vanmechelen met jongeren voor het Leuvense
Vertrouwenscentrum maakte heeft een andere opdracht. Op 2 december 2004 werd hij naar het
dakterras van het Vertrouwenscentrum getild. In het stadsbeeld communiceert hij tussen de scholieren
in de onderliggende school, de tegenoverliggende hulpgevangenis en het beeld ‘De preekstoel’ aan het
Provinciegebouw. Eerder dan schools, straffend en prekend, nodigt de ‘Golem’ ieder die daar nood
aan heeft uit om zelf datgene wat hij kwijt wil er in te komen deponeren. De binnenkant van de
‘Golem’ is een sacrale plek, net zoals bij ieder mens. We hebben vaak het gissen naar wat zich
binnenin afspeelt. Sommige van die dingen mogen we vernemen, andere blijven tot de wereld behoren
van de dialoog tussen de mens en zichzelf. Vanaf de eerste weken dat de ‘Golem’ op ons centrum
stond, kwamen kinderen tekeningen in zijn borstkas steken, andere hebben van zich af geschreven wat

ze aan geen levend wezen konden toevertrouwen maar dat wel onder gesloten omslag in hem kon
gedeponeerd worden, nog anderen wilden er gewoon alleen even bij zitten. En een klas tieners werkte
rond de vraag wat het moet betekenen voor jongeren om in een tsunamiramp terecht te komen, zette
dit op papier en kwamen het in het beeld deponeren.
De ‘Golem’ is geen kluis, het is ook geen paard van Troje om jongeren te verleiden om dingen prijs te
geven die nadien door nieuwsgierige volwassenen kunnen gelezen worden. Het kluwen van teksten en
objecten die hem langzaam doorheen vele jaren zullen vullen, verworden tot een filosofisch labyrint.
De ‘Golem’ is een helper die leeft. Bij daglicht is hij een beeld, bij nacht leest hij wat men hem
toevertrouwde, en gaat hij op bezoek in de gedachtewereld van de afzender. De ‘Golem’ speelt met het
kind dat zo vaak alleen gelaten wordt, hij praat met de nachtmerries van de jongere die steeds maar
weer traumatische beelden ziet opduiken en onderhandelt met hen om plaats te maken voor het
gezonde. Niemand zal het weten, want tegen de ochtend staat de ‘Golem’ terug op zijn plaats, en mag
ieder er terug het zijne van denken. Het beeld is dus geen therapie. Het beeld is een bemiddelaar tussen
mens en heling.

In december 2004 organiseerden we een internationaal congres over de stand van zaken bij
kindermishandeling. Eén van de deelnemers was Zuster Jeanne Devos. Ze werkt al veertig jaar in
India, en werkt daar in het bijzonder met kinderen die als huispersoneel te werk gesteld zijn. Het gaat
om kastelozen, die vaak slachtoffer zijn van fysiek en seksueel geweld. Zij organiseerde een netwerk
doorheen India om stapsgewijs de rechten van deze kinderen te bepleiten, op te komen voor een
statuut dat huisarbeid erkenning geeft en organiseert zonodig de beveiliging van mishandelde
jongeren. Dat doet ze met een ploeg medewerkers die uit vele godsdiensten en vele achtergronden
samengesteld is. In 2000 kreeg ze hiervoor een Doctoraat Honoris Causa van de Leuvense universiteit.
Het werk van haar en haar medewerkers is verre van eenvoudig. Toen zij de ‘Golem’ van Koen
Vanmechelen zag, was het snel duidelijk dat dit ook voor haar en voor de jongeren waar zij voor staat,
een symbolische functie zou kunnen vervullen. Het kosmopolitische wereldbeeld van Koen
Vanmechelen heeft dus duidelijk raakvlakken met het project van Zuster Devos. Dat was nog meer het
geval, toen de tsunami ramp plaatshad die ook gebieden in India trof en nieuwe risico’s op
kinderhandel deed ontstaan.

Het “bevroren” voorkomen van de ‘Golem’ aan de buitenkant, maakt het beeld toegankelijk voor
eenieder, van welk ras of religie ook. Wie de macht heeft hoeft er niet bang van te zijn. Maar wie de
macht niet heeft, en nog meer wie door macht overspoeld wordt, leest in de lichaamshouding van de
‘Golem’ de eigen taal. De ‘Golem’ is dan een signaal van hieruit, vanuit Vlaanderen, voor jongeren in
een ander werelddeel. Het maakt hen duidelijk dat het niet zo is dat er werelddelen bestaan waar alles
ellende is, naast regio’s waar het allemaal paradijselijk zou zijn. Dat de ‘Golem’ uit de filosofische
arbeid van een kunstenaar van bij ons gegroeid is, houdt de boodschap in dat ook wij weten wat
pijnlijke ervaringen kunnen zijn, en dat we weten dat men op zulke momenten nood heeft aan een
ritueel van herstel. Jongeren met traumatische ervaringen zijn over heel de wereld te vinden. Een
BoekenGolem, een Golem in Leuven, en nu een Golem in Indië, een keten als nooit eindigend
kunstwerk, want steeds in proces: innerlijk door wat men inbrengt, uiterlijk door het inwerken van
milieu en tijd op de ‘huid’ van de ‘Golem’. Een netwerk van ‘Golem’beelden in verschillende
werelddelen roept de kracht van de slachtoffers op, door hun te wijzen op verbondenheid. Het is
globalisatie op niveau van heling.